|
Geschiedenis
In de jaren dertig van de 20-ste eeuw
begon men te beseffen dat men in de bijenhouderij in
Nederland op de verkeerde weg was. Uit alle mogelijke
landen werden koninginnen geïmporteerd: o.a. de
Amerikaanse goudbijen (Apis mellifera ligustica) naar de
Veluwe waardoor kruisingen ontstonden die erg agressief
waren. Rond 1940 werd voor het eerst Apis mellifera
carnica ingevoerd, en wel de lijn Strgar. Voor het in
stand houden werd gebruikt gemaakt van
bevruchtingsstations. In 1949 was er ook een
bevruchtingsstation op het eiland Schiermonnikoog, die
zowel open was voor Nigra als voor Carnica. In 1954 was
het alleen nog open voor Carnica omdat de belangstelling
voor Nigra niet zo groot was. In 1962 werd op de oude
gemeentelijke vuilstortplaats definitief een bevruchtingsstation
gevestigd, bevolkt met de beste volken van een imker uit Egmond aan Zee.
Tot 1983 konden imkers bevruchtingskastjes opsturen naar
Schiermonnikoog voor de bevruchting van de koninginnen
met carnicadarren aldaar. Schiermonnikoog functioneerde
dus als rassenbevruchtingsstation. Wegens de komst van
de varroamijt naar Nederland moest het inzenden
stopgezet worden. Als alternatief zijn er sindsdien
jaarlijks 100-300 koninginnen geteeld en verkocht aan
belangstellende imkers.
Het beheer van het bevruchtingsstation
Schiermonnikoog is lange tijd uitgevoerd door de heer
Geskes met behulp van hulpvaardige imkers, en vanaf
halverwege de jaren tachtig door Bram de Smidt. De heer
Geskes heeft tijdens zijn beheer geselecteerd op
zachtaardigheid, toplatten vrijlaten, rustig op de raat
blijven zitten, cubitaal-index en pantsertekening.
Geskes selecteerde door de koninginnen van volken die
niet voldeden aan de eisen te vervangen. Er ontstond een
populatie met een uitgesproken eigen karakter, waarvan
de gedragsaspecten zachtaardigheid en rustige zit op de
raat wel het meest opvallend waren.
Van de negentiger jaren tot 2004 was Jaap Andringa de beheerder.
 
Roelof Geskes
Bram de Smidt

Jaap
Andringa
Top
|